Huisarts: vragen om te stellen aan de patiënt

Onderzoek heeft het volgende aangetoond:

  1. Wanneer de huisarts in de diagnostische fase een eetstoornis vermoedt, moet het probleem specifiek als een eetprobleem benoemd worden.
  2. Vervolgens toont de huisarts in eerste instantie aandacht voor het verhaal van de patiënt en de onderliggende oorzaken, inclusief de vraag naar seksueel misbruik. Het accent moet niet te veel op het eten en het gewicht komen te liggen; dat kan ook in een latere fase als het nodig is.
  3. De huisarts gaat met de patiënt na waar de hulpbehoefte ligt en wat de mogelijkheden voor behandeling zijn.
  4. De huisarts dient alert te zijn op een terugval tijdens moeilijke perioden en op vragen en zorgen van patiënten over seksualiteit en vruchtbaarheid.

Twee korte vragenlijsten zijn ontwikkeld en gevalideerd in een eerstelijnspopulatie: de SCOFF en de ESP. Het acronym SCOFF is afgeleid uit de kernwoorden van de vijf vragen waaruit het instrument bestaat: Sick, Control, One stone, Fat, Food (Morgan e.a., 1999) (zie figuur 4.1). De ESP (Eating disorder Screen for Primary care) bestaat uit vier vragen (Cotton e.a., 2003) (zie figuur 4.1). De sensitiviteit van beide lijsten ligt redelijk hoog, de specificiteit echter iets minder hoog. De positief voorspellende waarde is uiteraard afhankelijk van de prevalentie in de betreffende populatie en varieert van 25-40%. Beide zijn geschikt om een eetstoornis uit te sluiten, de ESP zou dat iets beter doen dan de SCOFF (Cotton e.a., 2003; Luck e.a., 2002; Morgan e.a., 1999).

 

SCOFF

  • Wekt u braken op omdat u zich met een “volle maag” niet goed voelt?
  • Bent u bang dat u geen controle meer heeft over de hoeveelheid die u eet?
  • Bent u meer dan 7 kg afgevallen in 3 maanden tijd?
  • Denkt u dat u te dik bent, terwijl anderen vinden dat u mager bent?
  • Vindt u dat voedsel een belangrijke plaats inneemt in uw leven?

ESP

  • Bent u tevreden over uw eetgewoonten?
  • Eet u ooit wel eens in het geheim?
  • Heeft uw gewicht invloed op hoe u zich voelt?
  • Hebt u nu last van een eetstoornis, of heeft u dat in het verleden ooit gehad?
 

Voor beide vragenlijsten geldt dat de kans om een aanwezige eetstoornis aan te tonen tussen de 90 en 100% ligt als het antwoord op minstens 2 vragen ‘ja’ is. De eerste 2 vragen van de ESP zijn ook gebruikt om specifiek boulimia nervosa op te sporen of uit te sluiten. Bij een veronderstelde prevalentie van 5% was de positief voorspellende waarde (PPV) 36% en de negatief voorspellende waarde (NPV) 99% (Freund e.a., 1999; Freund e.a., 1999). De ESP zou iets minder confronterend zijn en daardoor iets beter geaccepteerd worden en minder aanleiding geven tot ontwijkende antwoorden (Cotton e.a., 2003). Als de score op de SCOFF of de ESP lager is dan 2, dan is een eetstoornis erg onwaarschijnlijk. Bij een score van 2 of hoger is er 25-40% kans op een eetstoornis. In dat geval zou de huisarts nadere diagnostiek kunnen doen. Die nadere diagnostiek bestaat uit een viertal stappen die hieronder beschreven staan. Bron: RichtlijnEetstoornissen.nl